|
De afbouw van de toepassing van R22 zet zich voort met enkele opvallende mijlpalen in zicht. Voor in bedrijf zijnde R22-koelinstallaties betekent dit dat vanaf 2010 alleen nog geregenereerde R22 mag worden gebruikt voor onderhoud. Vanaf 2015 is dit niet meer toegestaan, hetgeen er in de meeste gevallen op neerkomt dat de installatie niet meer kan worden gebruikt.
In het kader van deze EU-verordening is nog wel een Europees onderzoek gestart naar technische en economische haalbaarheid van alternatieven voor R22 in bestaande koelapparatuur. Deze studie zou de datum 2010 nog kunnen doen verschuiven. Van de vragenlijsten die in verband hiermee naar verschillende instanties en bedrijven zijn rondgestuurd, verwacht de Raad voor de Koude geen onomstotelijk resultaat op basis waarvan de datum zal worden verschoven.
In Nederland zijn nog veel grote, industriële R22 installaties in gebruik, ook in 2010. Dat is een gevolg van het feit, dat een breed vertegenwoordigd sentiment altijd tegen NH3 is geweest. Hierdoor is de hoeveelheid R22 in koelinstallaties bij ons hoger dan in de meeste andere EEG-landen. De NEKOVRI (Vereniging van Nederlandse Koel- en Vrieshuizen) heeft samen met de NVKL (Nederlandse Vereniging voor ondernemingen op het gebied van Koeltechniek en Luchtbehandeling) in 2004 een onderzoek laten uitvoeren; ‘Vervangen R22: kans voor natuurlijke koudemiddelen’, om inzicht te krijgen in de kosten voor ombouw of vervanging. Zij maken zich terecht zorgen over de kosten waarvoor de ondernemers binnen afzienbare tijd komen te staan. De afbouwregeling voor R22 is in 2000 van kracht geworden. De laatste grote R22 installatie zal rond 1998 in bedrijf genomen zijn, waarschijnlijk zelfs eerder. Dit betekent dat de jongste R22 koelinstallaties in 2015 circa 18 tot 20 jaar zullen zijn. Een langere levensduur an 20 jaar is overigens bij industriële koelinstallaties gebruikelijk. Een industriële installatie wordt ontworpen voor de levensduur van het bijbehorende pand. Een nieuwe installatie in een ‘oud’ gebouw ziet men als ongewenst.
Het is verder een gegeven dat de financiële situatie in de koel- en vrieshuizenbranche de laatste jaren is verslechterd. Dit betekent dat maar weinig ondernemers de mogelijkheid hebben te investeren in nieuwe energiezuinige installaties met natuurlijke koudemiddelen. De hulp die de overheid biedt is gericht op belastingaftrek. Door de slechte financiële situatie bij veel bedrijven zullen deze stimulerende maatregelen weinig effect sorteren. De situatie als hiervoor opgetekend, zal ertoe leiden dat de meeste ondernemers zullen kiezen voor ombouw naar een HFK-installatie, waarbij de onzekerheid aanwezig is hoe de EG met het Protocol van Kyoto om zal gaan ter terugdringing van het broeikaseffect. De HFK’s hebben over het algemeen een zeer hoge GWP-factor (broeikaseffect). De Raad voor de Koude is van mening dat dit een ongewenste uitkomst is, waarbij de maatregel (uitfasering van HCFK’s en ombouw naar HFK’s) zijn doel voorbij schiet en zelfs een verslechtering van het milieu tot gevolg zal hebben voor wat betreft industriële koelinstallaties. Het milieu zou voor deze toepassing meer gebaat zijn bij een soort ‘sterfhuisconstructie’, waarbij uiteraard wel strenge eisen worden gesteld aan de dichtheid van de installatie. De overheid wordt gevraagd een andere, niet-fiscale stimuleringsregeling te creeren gericht op nieuwe koude-installaties met natuurlijke koudemiddelen in ‘oudere gebouwen’. Naast deze regeling maken de stijgende energieprijzen en de voortschrijdende technische ontwikkeling een vervroegde investering tot een overweging. Als voorbeeld: een nieuwe ammoniakkoelinstallatie heeft een 35% lager energieverbruik dan een oude, conventionele. Hier ligt nadrukkelijk de uitdaging voor de koeltechnische sector om deze energiebesparing waar te maken en te garanderen.
Raad voor de Koude |
|